Direct naar content gaan
}

Samenvatting

Aan thuiszorgorganisatie X is een naheffingsaanslag in de loonheffingen opgelegd vanwege niet aangegeven privégebruik van auto’s van de zaak door haar werknemers.

Voor Hof Arnhem-Leeuwarden was onder meer in geschil of de auto’s door X aan haar werknemers ter beschikking zijn gesteld als bedoeld in artikel 13bis, lid 1, Wet LB 1964 en of de naheffingsaanslag een ontoelaatbare aantasting vormt van het eigendomsrecht, zoals neergelegd in artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP). Het Hof heeft geoordeeld dat de auto’s aan de werknemers ter beschikking zijn gesteld. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de werknemers de auto’s gedurende hun gehele werkdag tot hun beschikking hadden en binnen zekere grenzen zelf de wijze van gebruik van de auto konden bepalen en dat de auto’s – hoewel dat niet toegestaan was – privé gebruikt konden worden en in de praktijk ook daadwerkelijk werden gebruikt.

X komt in cassatie op tegen dit oordeel van het Hof. De Hoge Raad verwerpt het middel echter op de gronden genoemd in de onderdelen 10.23 tot en met 10.27 van de conclusie van A-G Niessen.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de naheffingsaanslag niet in strijd komt met de bescherming van het eigendomsrecht als neergelegd in artikel 1 EP.

X komt op tegen dit oordeel met het betoog dat het ontbreken van een tegenbewijsregeling met zich brengt dat X zich niet tegen de hoogte van het zogenoemde autokostenforfait van artikel 13bis Wet LB 1964 kan verweren, hetgeen leidt tot een onaanvaardbare individuele last.

Volgens de Hoge Raad is de keuze van de wetgever om af te zien van een uitgebreide tegenbewijsregeling echter niet van elke redelijke grond ontbloot. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is het autokostenforfait op het niveau van de regelgeving niet in strijd met artikel 1 EP.

Van een individuele en buitensporige last kan in een geval als dat van X alleen sprake zijn indien de last ontstaat als gevolg van bijzondere feiten of omstandigheden, die niet gelden voor alle werkgevers die een auto aan personeel ter beschikking stellen (vgl. HR 16 november 2001, C00/142, ECLI:NL:HR:2001:AD5493). Het enkele gegeven dat een inhoudingsplichtige relatief oude auto’s aan werknemers ter beschikking heeft gesteld, waardoor de bijtelling ten opzichte van de aanschafwaarde van die auto’s hoog uitvalt, is niet een dergelijk feit of een dergelijke omstandigheid. Het middel faalt ook in zoverre.

Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.

Conform Conclusie A-G Niessen.

Het autokostenforfait (de bijtelling) blijft een onderwerp van discussie. In deze casus spitst de discussie in cassatie zich op twee elementen toe: de op zich feitelijke kwestie van de terbeschikkingstelling van de auto en de vraag of het ontbreken van een tegenbewijsmogelijkheid ten aanzien van de hoogte van de bijtelling in strijd is met Europese regelgeving.

Bij een discussie over de bijtelling ex artikel 13bis Wet LB 1964 is het van belang de diverse stadia en de daarbij behorende bewijsrechtelijke kwesties van elkaar te onderscheiden. Ruwweg onderscheid ik drie afzonderlijke fiscale stadia, plus daarnaast nog een later te behandelen vierde stadium betreffende de hoogte van de bijtelling. 

Metadata

Rubriek(en)
Loonbelasting
Belastingtijdvak
2008-2012
Instantie
HR
Datum instantie
2 juni 2017
Rolnummer
16/04765
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:964
Auteur(s)
mr. H.A. Elbert
Elbert Fiscaal
NLF-nummer
NLF 2017/1475
Aflevering
29 juni 2017
Judoregnummer
JCDI:NFB548
bwbr-eerste&artikel=1,bwbr0002471&artikel=13bis,bwbr0002471&artikel=13bis,bwbr-eerste&artikel=1

Naar de bovenkant van de pagina