Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(9)
  • Jurisprudentie(186)
  • Commentaar NLFiscaal(14)
  • Literatuur(13)
  • Recent(20)

X (belanghebbende) was tot 21 november 2014 buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd met A (hierna: de ex-echtgenote). Zij woonden in een woning die geheel in eigendom toebehoorde aan de ex-echtgenote. X heeft in 2013 een verzoek tot echtscheiding ingediend en heeft zich per 1 december 2013 uitgeschreven van het adres. De ex-echtgenote bleef op dat adres wonen.

Op de woning rustte een hypothecaire geldlening waarvoor X en de ex-echtgenote beiden hoofdelijk aansprakelijk waren. X heeft in 2013 de volledige hypotheekrente betaald. Hij heeft dat betaalde bedrag in zijn aangifte IB/PVV in aftrek gebracht. X en de ex-echtgenote hebben niet gekozen voor voljaarspartnerschap zoals bedoeld in artikel 2.17, lid 7, Wet IB 2001. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling voor het jaar 2013 de aftrek van de hypotheekrente gecorrigeerd. Onder meer de in de maand december 2013 door X betaalde hypotheekrente van € 1.098 heeft hij niet in aftrek toegelaten.

Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat X recht heeft op aftrek van de in de maand december 2013 betaalde hypotheekrente.

De helft van dat bedrag achtte het Hof aftrekbaar als eigenwoningrente op grond van artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001, en de andere helft als alimentatie voor de ex-echtgenote (artikel 6.3, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001).

Tegen het oordeel van het Hof dat artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001 meebrengt dat X recht heeft op aftrek van € 549 (50% van € 1.098) als eigenwoningrente, heeft de staatssecretaris cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad verklaart dit gegrond. Het oordeel van het Hof dat voor de aftrek op basis van artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001 niet is vereist dat X mede-eigenaar was van de woning, is onjuist.

De zaak is verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor een nader onderzoek naar de door het Hof niet behandelde vragen of (i) X in 2013 economisch (mede-)eigenaar was van de woning, in welk geval artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001 wel van toepassing zou zijn, en (ii) of het bedrag van € 549, indien het niet aftrekbaar is als eigenwoningrente, aftrekbaar is als onderhoudsverplichting (artikel 6.3, lid 1, onderdeel a of b, Wet IB 2001).

Conform Conclusie A-G Niessen (NLF 2022/0818, met noot van Van den Berg).

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2013
Instantie
HR
Datum instantie
27 mei 2022
Rolnummer
21/01146
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:765
Auteur(s)
Jelle van den Berg
Duoberg Consultants
NLF-nummer
NLF 2022/1088
Aflevering
9 juni 2022
Judoreg
NFB5048
bwbr0011353&artikel=3.111,bwbr0011353&artikel=3.111,bwbr0011353&artikel=6.3,bwbr0011353&artikel=6.3

X