Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

De rechtspraak van het HvJ is essentieel voor Nederland. De uitspraken dragen bij aan de rechtsontwikkeling binnen de Europese Unie en kunnen van invloed zijn op het Nederlandse recht en beleid. Zo leidt de Europese rechtspraak soms tot aanpassing van Nederlands recht of de uitvoeringspraktijk van de Nederlandse overheid.


Het HvJ heeft in 2017 opnieuw belangrijke bijdragen geleverd aan de ontwikkeling van het Unierecht. Het jaarbericht 2017 van het ministerie van Buitenlandse Zaken besteedt hier aandacht aan. Felix Peppelenbosch bespreekt de relevante fiscale jurisprudentie en het Nederlandse standpunt inzake de door het HvJ in 2017 afgedane zaken met een Nederlandse inbreng. In casu gaat het hierbij om door de regering gemaakte opmerkingen en ingenomen standpunten in HvJ-zaken waarin Nederland niet zelf partij is, maar zich wel in heeft gevoegd.

Totstandkoming van de Nederlandse inbreng bij HvJ-zaken

Nederland is een actieve lidstaat bij de Europese hoven. Onder Europese hoven worden begrepen het HvJ, het Gerecht en het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA-Hof) te Luxemburg. Door regelmatig haar visie naar voren te brengen bij deze Hoven, kiest de Nederlandse regering ervoor invloed uit te oefenen op de rechtsontwikkelingen binnen de Europese Unie. In 2017 heeft het EVA-Hof geen uitspraak gedaan in zaken waarin de Nederlandse regering een inbreng had. De procesvoering namens de Nederlandse regering bij de Europese hoven wordt uitgevoerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Beslissingen over een Nederlandse deelname aan een procedure bij de Europese hoven worden genomen in de Interdepartementale Commissie Europees Recht – Hofzaken (ICER-H). De ICER-H is een vaste interdepartementale werkgroep waarin alle departementen zijn vertegenwoordigd. De ICER-H komt elke twee weken bijeen.

Procedures voor het HvJ en het Gerecht

In een prejudiciële zaak stelt een nationale rechter het HvJ een vraag over de uitleg van het Unierecht. Deze procedure, die wordt geregeld in artikel 267 VWEU, beoogt een doeltreffende en uniforme toepassing van het Europese recht te waarborgen, zodat een verschil in uitleg van het Unierecht in de diverse lidstaten wordt voorkomen. In deze procedure stelt de nationale rechter een prejudiciële vraag in een zogenoemde verwijzingsuitspraak. De term ‘prejudicieel’ duidt erop dat de uitspraak van het HvJ over de gestelde vraag voorafgaat aan de eindbeslissing van de nationale rechter. Op deze prejudiciële vraag geeft het HvJ antwoord in de vorm van een arrest of een met redenen omklede beschikking. De nationale rechter past vervolgens de gegeven uitleg toe op het nationale geschil. Aan de prejudiciële procedure kunnen de betrokken nationale procespartijen, de lidstaten en de EU-instellingen deelnemen door hun standpunt over de gestelde vragen kenbaar te maken aan het HvJ. Alle nationale verwijzingsuitspraken worden door het HvJ aan het Hofcluster van de afdeling Europees recht toegestuurd. Deze uitspraken worden vervolgens in de ICER-H beoordeeld op een eventueel Nederlands belang. Is er een belang voor Nederland, dan wordt besloten tot deelname aan de procedure voor het HvJ. De prejudiciële procedure kent in beginsel twee fasen: de fase van de schriftelijke opmerkingen en die van de mondelinge behandeling oftewel de zitting. Zaken kunnen evenwel zonder zitting worden afgedaan. Lidstaten kunnen zowel in zaken van eigen bodem als in zaken afkomstig uit andere lidstaten opmerkingen indienen. In Nederlandse verwijzingsuitspraken dient de Nederlandse regering in beginsel altijd opmerkingen in.

Relevante uitspraken HvJ 9 februari 2017, C-283/15 (X), ECLI:EU:C:2017:102 (Nederland, Hoge Raad)

X is een Nederlander die in 2007 in Spanje woonde. Hij heeft geen inkomen in Spanje maar genereert 60% van zijn inkomen in Nederland. De Nederlandse regel bepaalt dat niet-ingezetenen 90% van hun inkomen in Nederland moeten ontvangen om in aanmerking te komen voor hypotheekrenteaftrek. Dit is volgens het HvJ in strijd met het vrij verkeer van kapitaal. X moet in zijn omstandigheden aanspraak kunnen maken op aftrek in verhouding met zijn inkomen, dat wil zeggen 60 % van het recht op hypotheekrenteaftrek.

Het oordeel is niet in lijn met het Nederlandse standpunt.

HvJ 15 februari 2017, C-317/15 (X), ECLI:EU:C:2017:119 (Nederland, Hoge Raad)

X heeft bankrekeningen in Luxemburg en Zwitserland maar deze niet vermeld in zijn belastingaangifte. De Belastingdienst ontdekt deze alsnog en legt een navorderingsaanslag op. Nederland hanteert een navorderingstermijn tot twaalf jaar voor vermogen in het buitenland, terwijl zij een termijn van vijf jaar hanteert als dat vermogen zich in Nederland bevindt.

De Hoge Raad vraagt zich af of de termijn strookt met het Unierecht. Het HvJ oordeelt dat dat zo is. Artikel 64, lid 1, VWEU is van toepassing op de verlengde navorderingstermijn en deze valt onder de mogelijkheid die artikel 64, lid 1, VWEU de lidstaten biedt om beperkingen toe te passen op het kapitaalverkeer in verband met het verrichten van financiële diensten.

Dit oordeel is in lijn met het standpunt van de Nederlandse regering.

HvJ 4 mei 2017, C-33/16 (A), ECLI:EU:C:2017:339 (Finland)

Deze zaak gaat over vrijstelling van btw voor hijsdiensten in de Finse havens. A stelt dat deze diensten vallen onder de vrijstelling uit artikel 148, onderdeel d, Btw-richtlijn (Richtlijn 2006/112).

Het HvJ oordeelt dat hijsdiensten bestaande uit het laden en lossen van een schip, diensten zijn die worden verricht voor de rechtstreekse behoeften van de lading van de in artikel 148, onderdeel a, Btw-richtlijn bedoelde schepen. Niet alleen hijsdiensten die plaatsvinden in de eindhandelsfase van een dergelijke dienst kunnen worden vrijgesteld, maar tevens in een eerdere fase verrichte diensten, zoals een dienst verricht door een onderaannemer voor een ondernemer die deze vervolgens doorberekent aan een transit- of vervoersonderneming. Ook hijsdiensten bestaande uit het laden en lossen van een schip die worden verricht voor degene die deze lading onder zich heeft, zoals de exporteur of de importeur ervan, kunnen worden vrijgesteld.

Dit komt overeen met het Nederlandse standpunt.

HvJ 21 september 2017, C-605/15 (Aviva), ECLI:EU:C:2017:718 (Polen)

De Aviva-groep is actief op het gebied van verzekeringsdiensten en pensioenbescherming in Europa. De hoofdactiviteiten van deze groep zijn de opbouw van langetermijnspaarplannen, fondsbeheer en verzekeringen. De Aviva-groep wil graag profiteren van een btw-vrijstelling op het gebied van verzekeringen. Vraag is of zij dat kan. Het HvJ oordeelt dat de btw-vrijstelling uit de Btw-richtlijn alleen betrekking heeft op een zelfstandige groepering van personen (hierna: ZGP) waarvan de leden een activiteit van algemeen belang uitoefenen. Diensten verricht door ZGP’s waarvan de leden een economische activiteit op het gebied van verzekeringen uitoefenen die niet een dergelijke activiteit van algemeen belang is, komen daarom niet in aanmerking voor deze vrijstelling.

Dit arrest komt niet overeen met het Nederlandse standpunt.

HvJ 4 oktober 2017, C-164/16 (Mercedes-Benz Financial Services UK), ECLI:EU:C:2017:734 (Verenigd Koninkrijk)

Op grond van de Agility-overeenkomst blijft de eigendom van het geleasede voertuig in eerste instantie bij Mercedes-Benz, maar heeft de klant de optie om aan het einde van de leaseperiode het voertuig te kopen. De verschuldigde maandelijkse termijnen tellen bij deze overeenkomst op tot een bedrag van ongeveer 60% van de verkoopprijs, waardoor de klant die de koopoptie wil uitoefenen, nog ongeveer 40% van de verkoopprijs moet betalen. In geschil was of de Agility-overeenkomst kwalificeert als een ‘levering van goederen’ dan wel als een ‘dienst’ in de zin van de Btw-richtlijn. Deze kwalificatie is van belang voor de wijze van heffen van de verschuldigde btw. Het HvJ oordeelt dat een leaseovereenkomst met een koopoptie kwalificeert als een levering van een goed in de zin van artikel 14, lid 2, onderdeel b, Btw-richtlijn wanneer de uitoefening van de koopoptie formeel gezien weliswaar facultatief is, maar in werkelijkheid de enige economisch rationele keuze blijkt te zijn. Dit is het geval wanneer de som van de leasetermijnen overeenstemt met de verkoopwaarde van het voertuig en de klant bij uitoefening van de koopoptie geen aanzienlijk hoger bedrag moet betalen, aldus het HvJ.

Dit oordeel is geheel in lijn met het Nederlandse standpunt.

HvJ 26 oktober 2017, C-90/16 (The English Bridge Union), ECLI:EU:C:2017:814 (Verenigd Koninkrijk)

The English Bridge Union wil van de Britse belastingdienst terugbetaling van de btw die is betaald over de inschrijfgelden die aan haar leden in rekening zijn gebracht voor deelname aan de door haar georganiseerde bridgetoernooien. De Btw-richtlijn voorziet in vrijstellingen die tot doel hebben bepaalde activiteiten van algemeen belang te bevorderen. Artikel 132, lid 1, onderdeel m, Btw-richtlijn ziet op diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport. De vraag is nu of wedstrijdbridge gezien kan worden als een sport in de zin van de Btw-richtlijn. Het HvJ beantwoordt deze vraag ontkennend. De vrijstellingen in de Btw-richtlijn moeten restrictief worden uitgelegd. Volgens het HvJ wordt sport gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component. Aangezien bij wedstrijdbridge de lichamelijke component te verwaarlozen is, vormt bridge volgens het Hof geen sport in de zin van de Btw-richtlijn. Dat een activiteit de lichamelijke en geestelijke gezondheid bevordert en in wedstrijdverband wordt uitgeoefend, betekent volgens het HvJ nog niet dat deze gezien moet worden als een sport.

Deze uitspraak is niet in overeenstemming met het Nederlandse standpunt.

Rubriek(en)
Europees belastingrecht
Auteur(s)
Felix Peppelenbosch
NLFiscaal
NLF-nummer
NLF Opinie 2018/43
Judoreg
NFB2197
Publicatiedatum
30 augustus 2018

X