Direct naar content gaan
}

Samenvatting

In deze procedure inzake de box 3-heffing 2016 en 2017 van X (belanghebbende) is zowel de zogenoemde stelselvraag (rechtsvraag) als de individuele vraag aan de orde (individuele en buitensporige last). Voor de stelselvraag geldt in beide jaren een aanwijzing als massaal bezwaar.

Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat de box 3-heffing op stelselniveau niet kan leiden tot vernietiging of verlaging van de aanslag IB/PVV 2016 van X. Hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in het arrest HR 14 juni 2019, 17/05606, ECLI:NL:HR:2019:816 met betrekking tot de jaren 2013 en 2014, heeft volgens het Hof ook te gelden met betrekking tot het jaar 2016.

Voor zover het cassatieberoep van X tegen dit oordeel is gericht, faalt het. Het oordeel van het Hof is juist.

Wat betreft het jaar 2017 heeft het Hof overwogen dat het niet slechts moet beoordelen of X wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, maar ook of de box 3-heffing een schending van artikel 1 EP op stelselniveau meebrengt. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de rendementsheffing vanaf het jaar 2017 op stelselniveau niet in strijd is met artikel 1 EP.

Dit oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, oordeelt de Hoge Raad. Zoals is overwogen in het arrest HR 2 juli 2021, 20/03092, ECLI:NL:HR:2021:963 was het Hof niet bevoegd dit oordeel te geven.

Het Hof heeft verder geoordeeld dat X door de box 3-heffing voor de jaren 2016 en 2017 niet is geconfronteerd met een buitensporige individuele last.

Voor zover het cassatieberoep van X tegen dit oordeel is gericht, wordt het door de Hoge Raad gegrond verklaard.

In een geval als dit, waarbij de vraag voorligt of de heffing van IB/PVV leidt tot een individuele en buitensporige last indien de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijke rendement, moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Daarom kan de omstandigheid dat de belastingplichtige door de heffing inteert zoals hier bedoeld, een aanwijzing zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een buitensporige last. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat het Hof dit heeft onderzocht.

De zaak is verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor een nader onderzoek naar de vraag of de box 3-heffingen voor X een individuele en buitensporige last vormen.

Anders: Conclusie A-G Wattel (NLF 2021/0827, met noot van Hoogwout).

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2016 en 2017
Instantie
HR
Datum instantie
2 juli 2021
Rolnummer
20/02453
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1047
Auteur(s)
mr. T.C. Hoogwout
Erasmus Universiteit Rotterdam/FBN
NLF-nummer
NLF 2021/1405
Aflevering
15 juli 2021
Judoregnummer
JCDI:NFB4443
bwbr0011353&artikel=2.13,bwbr0011353&artikel=5.1,bwbr0011353&artikel=5.2,bwbr0011353&artikel=5.3,bwbv0001001&artikel=1,bwbr0011353&artikel=2.13,bwbr0011353&artikel=5.2,bwbr0011353&artikel=5.3,bwbv0001001&artikel=1

Naar de bovenkant van de pagina