Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(30)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(2)

X (belanghebbende) is gebruiker van een object, dat onder meer 18 recreatiewoningen omvat, een clubhuis/brasserie en een golfbaan (9 holes) met drivingrange. De WOZ-waarde van het object is per waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 3.680.000.

X betoogt bij Rechtbank Oost-Brabant tevergeefs dat de objectafbakening onjuist is. Het object moet worden aangemerkt als een samenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onderdeel d, Wet WOZ.

De Heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is.

X heeft de door haar bepleite waarde van € 3.250.000 niet aannemelijk gemaakt.

Partijen zijn het er over eens dat het object als niet-woning moet worden aangemerkt.

De Heffingsambtenaar heeft bij het opleggen van de OZB-gebruikersaanslag geen woondelenvrijstelling toegepast.

Dat acht de Rechtbank juist. Zij leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2018 (17/02317, ECLI:NL:HR:2018:3, NLF 2018/0105, met noot van Monsma) af dat bij het bepalen van de woondelenvrijstelling niet langer het geschiktheidscriterium, maar het bestemmingscriterium van toepassing is. Met het bestemmingscriterium wordt kennelijk bedoeld dat alleen iets dat bestemd is om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen, onder die vrijstelling kan vallen. Gebruik van kortdurende aard wordt niet aangemerkt als ‘wonen’, oordeelt de Rechtbank. Nu vaststaat dat de recreatiewoningen bedrijfsmatig worden geëxploiteerd voor kortdurend, volgtijdig gebruik, is hierop de woondelenvrijstelling niet van toepassing.

Rubriek(en)
Lokale heffingen
Belastingtijdvak
2020
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum instantie
16 december 2021
Rolnummer
20/3623
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2021:6677
bwbr0005416&artikel=220e

X