Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(86)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(4)
  • Recent(16)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(2)

Deze zaak betreft het derde cassatieberoep naar aanleiding van de uitspraak van verwijzingshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2019 (17/00391, ECLI:NL:GHARL:2019:10474).


X (bv; belanghebbende) stelt kansspelautomaten tegen vergoeding ter beschikking aan met name uitbaters van horecagelegenheden. Per 1 juli 2008 heeft een regimewijziging plaatsgevonden (invoering vrijstelling van omzetbelasting en onderwerping aan kansspelbelasting). X is het niet eens met de als gevolg van de regimewijziging verschuldigde kansspelbelasting over het tijdvak juli 2008 (€ 72.723).


De zaak is twee keer voorgelegd aan de Hoge Raad en is uiteindelijk doorverwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden.


Bij het verwijzingshof is in geschil of de invoering van kansspelbelasting voor kansspelautomaten, hoewel deze op het niveau van de regelgeving niet heeft geleid tot een schending van artikel 1 EP, niettemin heeft geleid tot een individuele en buitensporige last in het geval van X.


Het verwijzingshof is van oordeel dat, gelet op de omstandigheid dat X haar kansspelautomaten in de horeca heeft staan, sprake is van een rechtstreeks verband tussen de structurele verliespositie waarin zij is komen te verkeren en de regimewijziging. Door de grotere impact voor het subsegment horeca wordt X harder getroffen dan andere exploitanten, zelfs zodanig dat zij daardoor in een structurele verliespositie is gebracht. Daarbij neemt het verwijzingshof tevens in aanmerking dat uit de door X overgelegde jaarrekeningen volgt dat haar financiële positie sinds de regimewijziging is verslechterd waardoor zij – naar X onweersproken heeft gesteld – moeite heeft de kansspelbelasting te voldoen.


Het verwijzingshof heeft, omdat sprake is van een individuele en buitensporige last, rechtsherstel geboden (vgl. HR 14 juni 2019, 17/05606, ECLI:NL:HR:2019:816 en HR 6 april 2018, 17/01852, ECLI:NL:HR:2018:511). Het verwijzingshof heeft de omvang van het rechtsherstel schattenderwijs bepaald op € 1.364.740. Dit bedrag is gelijk aan de door Hof Den Haag in een eerdere fase van de procedure geboden compensatie (29 juli 2015, 14/00768, ECLI:NL:GHDHA:2015:2119). De Inspecteur wordt veroordeeld in de door X geleden schade tot dit bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente.


Tegen dit oordeel heeft de staatssecretaris cassatieberoep ingesteld. Hij bestrijdt de wijze waarop het Hof het aan X als schadevergoeding te betalen bedrag heeft bepaald.


De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep echter ongegrond.


In aanmerking genomen dat de rechter bij het ontstaan van een individuele en buitensporige last steeds gehouden is effectief rechtsherstel te bieden, kon het Hof als uitgangspunt nemen dat van X niet gevergd kan worden dat zij over elk tijdvak procedeert teneinde de individuele en buitensporige last te laten wegnemen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Rubriek(en)
Kansspelbelasting
Belastingtijdvak
Juli 2008
Instantie
Hoge Raad
Datum instantie
5 november 2021
Rolnummer
20/00131
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1644
bwbr0002359&artikel=1,bwbr0002359&artikel=3,bwbv0001001&artikel=1

X