Direct naar content gaan
}

Gerelateerde content

Samenvatting

Tweede cassatieberoep na verwijzingsuitspraak Hof Arnhem-Leeuwarden (NLF 2018/0633, met noot van Tekstra) op HR 31 maart 2017 (NLF 2017/0807, met noot van Raaijmakers).

De aandeelhouders van A (bv), waaronder bestuurder X (belanghebbende), hadden besloten A met de hoogste spoed te saneren. Bij de afwikkeling van de bv is ervoor gekozen de bedrijfsvoering tijdelijk voort te zetten (tot 1 november 2008) om contractuele verplichtingen na te komen en een faillissement te voorkomen. In die voortzettingsperiode zijn bij voorrang zogenoemde dwangcrediteuren, waaronder de bank, betaald. De door de voortgezette bedrijfsvoering ontstane belastingschulden (loonheffingen en omzetbelasting) werden niet voldaan.

In geschil is of X terecht aansprakelijk is gesteld voor de door A onbetaald gebleven loonheffingen en omzetbelasting over de maanden september tot en met november 2008. Na verwijzing door de Hoge Raad is niet meer in geschil dat X niet aansprakelijk is voor de boete, de invorderingsrente en de kosten.

De Ontvanger neemt na cassatie niet meer het standpunt in dat voor de betalingen door A aan de bank een verwijt aan X kan worden gemaakt. Wel handhaaft hij zijn standpunt dat X onbehoorlijk heeft bestuurd door in de maanden juli tot en met november 2008 voorrang te geven aan de betaling van leveranciers en andere concurrente crediteuren boven de betaling van de belasting.

Door de betalingen aan deze crediteuren te doen met voorrang boven de betaling van uit de voortzetting van de onderneming voortvloeiende belastingschulden, heeft X als bestuurder bewerkstelligd dat die belastingschulden onbetaald zijn gebleven, oordeelde het verwijzingshof. X had redelijkerwijs moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven. X kan derhalve volgens het verwijzingshof persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Anders dan de betalingen aan de bank, berustte het bij voorrang betalen van de overige crediteuren op een vrije keuze van X. Volgens het verwijzingshof zou geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – gehandeld hebben zoals X heeft gedaan. Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond. Het verwijzingshof heeft geoordeeld dat X als bestuurder heeft bewerkstelligd dat bepaalde schuldeisers van de bv met voorrang boven de Ontvanger werden voldaan en dat deze handelwijze berustte op een vrije keuze van X. Het heeft daaruit kennelijk de gevolgtrekking gemaakt dat X persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het Hof heeft daarmee miskend dat het X als bestuurder van de bv in beginsel vrijstond op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de bv in de gegeven omstandigheden zouden worden voldaan.

Een ander cassatiemiddel van X keert zich tegen het oordeel van het verwijzingshof dat de curator in het faillissement nauwelijks over middelen kon beschikken om de belastingschulden te voldoen. X voert onder meer aan dat het verwijzingshof heeft verzuimd de stelling te behandelen dat de bv door verrekening van een verlies met de belastbare winst van een voorgaand jaar een teruggaaf van ongeveer € 60.000 had kunnen verkrijgen. Het feit dat de teruggaaf achterwege bleef doordat de curator geen aangifte voor de vennootschapsbelasting heeft gedaan voor het desbetreffende verliesjaar, vormt een verzuim dat X niet mag worden aangerekend, aldus het middel. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof deze stelling niet buiten behandeling mocht laten. Eenieder is immers in beginsel slechts voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk te houden (zie HR 8 augustus 2014, 12/05618, ECLI:NL:HR:2014:2149, r.o. 3.5, en HR 20 april 2018, 16/03039, ECLI:NL:HR:2018:506, NLF 2018/0973, met noot van Raaijmakers, r.o. 2.4.2).

De zaak is verwezen naar Hof Den Haag.

Nadere invulling kennelijk onbehoorlijk bestuur

In bestuurdersaansprakelijkheidszaken is meestal de centrale vraag of sprake is van een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht. Zaken waarin de vraag centraal staat of er al dan niet sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur zijn spaarzamer. In deze zaak komt een veel voorkomende situatie aan de orde. Het gaat financieel niet goed met een lichaam en dan is de vraag of en wanneer het bestuur van de vennootschap nog crediteuren kan betalen die lager in preferentie zijn dan de belastingontvanger. Bekend is dat de Hoge Raad kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft gedefinieerd als het handelen of nalaten dat een redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden niet zou hebben gedaan. Daarbij dient niet uit het oog te worden verloren dat het een bestuurder in beginsel vrijstaat om te bepalen welke crediteuren van het lichaam worden voldaan zonder dat dit dan zonder meer als kennelijk onbehoorlijk bestuur dient te worden gekwalificeerd. Zoals de Hoge Raad – naar mijn mening terecht – aangeeft, is die vrijheid van een bestuurder beperkt(er) in de situatie dat het lichaam heeft besloten zijn activiteiten te stoppen en er onvoldoende middelen zijn om alle schuldeisers te betalen. De Hoge Raad geeft nu een nadere, ruimere invulling. Indien namelijk sprake is van bijzondere omstandigheden dan vormt het betalen van crediteuren met een lagere preferentie geen kennelijk onbehoorlijk bestuur. In deze casus is de onderneming enkel voortgezet om lopende verplichtingen na te komen én zijn alleen zogeheten dwangcrediteuren betaald. Dwangcrediteuren zijn crediteuren zonder wiens leveringen en/of diensten het niet mogelijk is om de onderneming voort te zetten. Kortom: deze nadere invulling van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur is een voor de praktijk gewenste en heldere verruiming waardoor bestuurders van ondernemingen in zwaar weer iets meer speelruimte hebben zonder direct te hoeven vrezen om – achteraf – beschuldigd te worden van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Geen aangifte vpb door curator

Metadata

Rubriek(en)
Invordering
Belastingtijdvak
september t/m november 2008
Instantie
HR
Datum instantie
12 april 2019
Rolnummer
18/01266
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:576
Auteur(s)
J.H.P.M. Raaijmakers
Raaijmakers Belastingadvies en Educatie
NLF-nummer
NLF 2019/0963
Aflevering
25 april 2019
Judoregnummer
JCDI:NFB2435
bwbr0004770&artikel=36&lid=1,bwbr0004770&artikel=36&lid=1

Naar de bovenkant van de pagina