Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(4)
  • Jurisprudentie(82)
  • Commentaar NLFiscaal(10)
  • Literatuur(3)
  • Recent(4)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

X (bv; belanghebbende) is houdstermaatschappij van een Nederlandse bv en heeft meerdere buitenlandse deelnemingen. J was CEO en statutair directeur van X. Hij was in dienstbetrekking bij X vanaf 7 september 2011. De dienstbetrekking is met ingang van 31 december 2015 beëindigd.

Nabetalingen aan J in 2016 (bonussen en salarisnabetalingen) – na einde dienstverband – zijn door X als loon verantwoord in de aangifte loonheffingen over september 2016. De Inspecteur heeft na een onderzoek naheffingsaanslagen loonheffing opgelegd. Hij stelt dat de nabetalingen in 2013 zijn genoten (naheffingsaanslag 2013). De betreffende loonbestanddelen moeten volgens de Inspecteur voorts voor de toepassing van artikel 32bd Wet LB 1964 (crisisheffing) worden aangemerkt als op 31 maart 2014 genoten loon (naheffingsaanslag 2014). Verder worden de loonbestanddelen voor de toepassing van artikel 32bb Wet LB 1964 (excessieve vertrekvergoeding) aangemerkt als van de inhoudingsplichtige genoten loon in 2013 (naheffingsaanslag 2015/2016). X heeft beroep ingesteld.

Rechtbank Noord-Holland stelt vast dat de loonbestanddelen niet in 2013 zijn betaald, verrekend of rentedragend zijn geworden. X zou in 2013 echter onverwijld zijn overgegaan tot uitbetaling indien J daarom zou hebben verzocht. De bonussen en salarisnabetalingen van in totaal € 840.388 waren vorderbaar en inbaar in 2013 en zijn daarom in 2013 genoten. De naheffingsaanslag 2013 blijft in stand.

Aangezien niet is komen vast te staan dat over de loonbestanddelen in 2013 belasting is geheven, blijft de pseudo-eindheffing van artikel 32bd Wet LB 1964 buiten toepassing. De naheffingsaanslag 2014 wordt daarom vernietigd.

Gelet op het hiervoor gegeven oordeel dat de loonbestanddelen ten bedrage van € 840.388 (en een bedrag van € 27.000 dat niet in geschil is) in 2013 zijn genoten door X, bedraagt het loon van J in 2013 meer dan € 535.000 (toetsloon). De pseudo-eindheffing van artikel 32bb Wet LB 1964 is dan ook terecht in aanmerking genomen in de naheffingsaanslag 2015/2016. Deze naheffingsaanslag blijft in stand.

De aan X bij de naheffingsaanslag over 2013 opgelegde boete wordt alleen verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Rubriek(en)
Loonbelasting
Belastingtijdvak
2013-2016
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum instantie
19 maart 2021
Rolnummer
20/372; 20/373; 20/6135
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2021:3170
Auteur(s)
Luc Arets
Belastingdienst
NLF-nummer
NLF 2021/1498
Aflevering
29 juli 2021
Judoreg
NFB4473
bwbr0002471&artikel=32bb,bwbr0002471&artikel=32bd

X