Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(11)
  • Jurisprudentie(150)
  • Commentaar NLFiscaal(4)
  • Literatuur(29)
  • Recent(45)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

De echtgenote van X (belanghebbende) had een rekening bij een Luxemburgse bank. X en zijn echtgenote hebben in de periode 2006 tot en met 2015 in hun aangiften voor de IB/PVV geen opgave gedaan van deze rekening.

Aan X zijn navorderingsaanslagen met boetes opgelegd. In de navorderingsaanslagen is telkens 50% van de tegoeden op de Luxemburgse rekening bij X begrepen in de rendementsgrondslag van box 3.

Ten aanzien van de boetes is het volgens de Inspecteur niet uitgesloten dat X niet op de hoogte was van het bestaan van de rekening en kan opzet niet aannemelijk gemaakt worden. Gelet hierop heeft Rechtbank Noord-Holland de boetes vernietigd. De navorderingsaanslag over 2006 is voorts vernietigd wegens overschrijding van de navorderingstermijn. De overige navorderingsaanslagen zijn in stand gebleven.

X heeft hoger beroep ingesteld maar Hof Amsterdam verklaart dat ongegrond.

Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank dat de belastingheffing in box 3 voor de in geschil zijnde jaren op stelselniveau niet strijdig is met artikel 1 EP respectievelijk niet noopt tot rechterlijk ingrijpen. Het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963, NLF 2022/0106, met noot van Dusarduijn) brengt hierin geen wijziging, aangezien dit arrest betrekking heeft op de met ingang van 1 januari 2017 gewijzigde wettelijke regeling inzake de vermogensrendementsheffing.

X gaat voorts uit van een onjuiste rechtsopvatting met zijn standpunt dat reeds geconcludeerd moet worden tot een individuele en buitensporige last indien het werkelijke rendement op de aangehouden Luxemburgse spaarrekening lager is dan de daarover verschuldigde belasting in box 3. Niet alleen de in Luxemburg aangehouden spaarrekening moet in de vergelijking worden betrokken, maar ook de overige bank- en spaartegoeden, aandelen en overige onroerende zaken.

Het Hof komt evenals de Rechtbank tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat zich een buitensporige last heeft voorgedaan.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2006-2015
Instantie
Hof Amsterdam
Datum instantie
15 maart 2022
Rolnummer
20/00724; 20/00725; 20/00726; 20/00727; 20/00728; 20/00729; 20/00730; 20/00731; 20/00732; 20/00733
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:803
NLF-nummer
NLF 2022/0918
Aflevering
12 mei 2022
bwbr0011353&artikel=5.2,bwbr0011353&artikel=5.2

X