Direct naar content gaan

Samenvatting

De box 3-heffing van X (belanghebbende) bedraagt in de jaren 2014, 2015 en 2016 resp. € 11.345, € 12.684 en € 13.906.

Rechtbank Den Haag heeft het beroep van X inzake de box 3-heffing over voornoemde jaren ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft voorts een immateriële schadevergoeding toegekend.

In hoger beroep klaagt X erover dat de Rechtbank ten onrechte twee afzonderlijke uitspraken heeft gedaan in de onderhavige zaken en de zaken van A. A is na het instellen van het beroep overleden. De procedure is voortgezet door de erfgenaam.

Aangezien in bedoelde zaken sprake is van verschillende indieners van de beroepen, te weten resp. X en A, heeft de Rechtbank terecht twee afzonderlijke uitspraken gedaan.

De Rechtbank heeft ook terecht de jaren 2001 tot en met 2013, waarover eerder is geprocedeerd, niet in haar uitspraak betrokken. Een inhoudelijke behandeling van de box 3-heffing in de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 is voorts in hoger beroep niet mogelijk, omdat de Rechtbank hier nog geen uitspraak over heeft gedaan. Deze zaken maken geen deel uit van de onderhavige procedure in hoger beroep.

De rechter kan voor de jaren 2014, 2015 en 2016 niet voorzien in het rechtstekort. Er is ook geen sprake van een individuele en buitensporige last, oordeelt Hof Den Haag.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding is de Rechtbank terecht uitgegaan van samenhang tussen deze zaken en die van de erfgenaam. De redelijke termijn is evenwel een half jaar eerder aangevangen dan waarvan de Rechtbank is uitgegaan. De schadevergoeding wordt door het Hof vastgesteld op € 4.000.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2014-2016
Instantie
Hof Den Haag
Datum instantie
3 november 2022
Rolnummer
22/00386; 22/00387; 22/00388
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:2253
NLF-nummer
NLF 2022/2398
Aflevering
8 december 2022
bwbr0011353&artikel=5.2,bwbr0011353&artikel=5.2

Naar de bovenkant van de pagina