Direct naar content gaan

Samenvatting

X (bv; belanghebbende) is opgericht als onderdeel van een project van een Franse en een Nederlandse financiële instelling. Zij heeft in de boekjaren 2007/2008 en 2008/2009 preferente aandelen (prefs) verworven in een Luxemburgse deelneming (C bedrijf); daarnaast heeft zij een omvangrijke obligatieportefeuille verworven. De prefs worden gefinancierd met Limited Recourse-leningen (de leningen), circa € 750 miljoen, verstrekt door een andere Luxemburgse vennootschap. De Luxemburgse vennootschappen zijn groepsvennootschappen van de Franse financiële instelling. De vergoeding op de prefs is in Luxemburg aftrekbaar en valt in Nederland in beginsel onder de deelnemingsvrijstelling. De door X verschuldigde rente is afgestemd op het rendement op de prefs en bedraagt ruim € 31 miljoen per boekjaar.

Evenals in eerste aanleg is in geschil of de rente over de door X verschuldigde leningen bij haar aftrekbaar is en of de voordelen uit hoofde van de door haar gehouden preferente aandelen in C bedrijf onder de deelnemingsvrijstelling vallen.

Rechtbank Noord-Holland heeft het beroep van X ongegrond verklaard.

Hof Amsterdam oordeelt dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat X economisch geen belang zou hebben gehad bij de prefs en/of de leningen en dat het bezit daarvan op grond van een zelfstandige fiscale kwalificatie van de feiten zou moeten worden genegeerd.

Het Hof is voor de periode vanaf 1 januari 2008 van oordeel dat de Inspecteur, met toepassing van een vanaf die datum voor hem bestaande tegenbewijsmogelijkheid, aannemelijk heeft gemaakt dat aan de leningen niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. De verschuldigde rente is dan reeds op grond van artikel 10a VpB 1969 niet aftrekbaar. Voor het gedeelte van de rente dat betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 1 januari 2008 acht het Hof het aannemelijk dat de leningen zijn aangegaan met het doorslaggevend oogmerk om belasting te besparen. De aldus (kunstmatig) gecreëerde rentelasten zijn afgezet tegen op kunstmatige wijze bij X tot stand gekomen voordelen. In een dergelijk geval staat het leerstuk wetsontduiking (fraus legis) aan aftrek van de rente in de weg.

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, zij het deels op andere gronden dan waarop de Rechtbank haar uitspraak heeft gebaseerd. In het midden kan blijven of de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op de voordelen die X uit hoofde van haar belang in de (C-bedrijf-)prefs heeft genoten.

Metadata

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2007-2009
Instantie
Hof Amsterdam
Datum instantie
30 september 2021
Rolnummer
19/00872; 19/00873
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:2832
Auteur(s)
Arco Bobeldijk
Loyens & Loeff/Nyenrode Business Universiteit
NLF-nummer
NLF 2021/1962
Aflevering
21 oktober 2021
Judoreg
NFB4592
bwbr0002672&artikel=10a,bwbr0002672&artikel=10a

Naar de bovenkant van de pagina